I & i ; Underscoren hun niveau, i en I worstelen met het gedachte streepje.


i Heb jij mijn gedachtestreepje Nee waarom? zien liggen? Wat moet je ermee denken? | / I i


Ik wou het gebruiken. Ik had een idee. Een goede? \ / I i


Dat weet ik pas als Goed dan denk ik het daar is. een nieuwe voor je \ / I i


Bedankt. Hier \ / I _ i


Nou wat? / I_ i


Nee dis niks, ik dacht O, nou volgende dat het minder diep ging. keer beter. \ / I_ i


Ik wou er iets op zeggen Ik zie het probleem. maar ik kan er niet We kunnen het er op komen. wel over hebben \ / I i _